Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Sophie Hermans geeft in haar antwoorden aan Marc Vervuurt van D66 nog geen uitsluitsel over de zogeheten sectoroverstijgende prestatie. Het kabinet streeft ernaar de Kamer in november te informeren, na verder overleg met de toezichthouder, het Zorginstituut, verzekeraars en zorgaanbieders.

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is in haar jaarverantwoording over 2025 concreter. Zij wilde een algemeen instrument waarmee een zorgaanbieder en verzekeraar samen een nieuwe manier van betalen konden voorstellen, over sectorgrenzen heen. Dat voornemen is volgens de NZa niet verder gekomen door gebrek aan draagvlak bij verzekeraars. De toezichthouder kiest daarom voorlopig voor afzonderlijke praktijkgevallen en bekijkt welke financiering daarbij past.

Het gaat bij de nieuwe prestatie om zorg binnen de Zorgverzekeringswet. De gedachte erachter is dat verschillende aanbieders makkelijker samen zorg kunnen leveren. Bij samenwerking gaat het ook om afstemming en organisatie, werk dat niet altijd aan één patiënt kan worden toegeschreven. De NZa benadrukt dat juist zulke taken belangrijk zijn voor de toegankelijkheid van zorg.

Hermans onderschrijft het belang van samenwerking rond de patiënt, ook over de grenzen van verschillende zorgwetten. Haar ministerie heeft sinds een advies uit 2024 aan de voorbereiding gewerkt. Daarbij zijn volgens haar vragen naar voren gekomen over de verdeling van uitgaven over zorgbudgetten, de compensatie van verzekeraars voor verschillen in hun verzekerdenbestand en de gevolgen voor het eigen risico.

Dat er nog geen duidelijk vervolg voor de nieuwe prestatie ligt, betekent niet dat gezamenlijke zorg helemaal niet kan worden betaald. Hermans wijst op bestaande mogelijkheden, maar erkent dat partijen in de praktijk tegen problemen aanlopen. De NZa noemt bijvoorbeeld een experiment waarmee verzekeraars en aanbieders sinds mei 2024 afspraken kunnen maken over vergoeding van afstemming rond specifieke groepen verzekerden.

Welke bezwaren verzekeraars precies hebben en welke daarvan kunnen worden opgelost, licht Hermans nu niet toe. Ook de keuze voor alternatieve instrumenten, het tijdpad en de vraag hoe succesvolle samenwerkingen een vaste plek krijgen, schuift zij door naar de aangekondigde brief.