Ook ontbreken landelijke gegevens over wie opnieuw zorg nodig heeft.

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Sophie Hermans erkent die leemtes in antwoorden aan Lisa Westerveld, Tweede Kamerlid voor PRO. Westerveld vroeg onder meer hoeveel mensen na behandeling terechtkomen bij de huisarts, een wijkteam of een team dat intensieve begeleiding thuis biedt. Ook daarop zijn volgens Hermans landelijk geen cijfers beschikbaar.

Een schatting is geen telling van nazorg

De aanleiding is het rapport Blijvend nabij van branchevereniging de Nederlandse ggz. Daarin staat een schatting van 250.000 volwassenen met een ernstige psychiatrische aandoening. Ongeveer een kwart, naar schatting 62.500 mensen, krijgt volgens het rapport geen of onvoldoende zorg en is buiten beeld van de ggz.

Dat cijfer beschrijft een bredere groep dan uitsluitend mensen die na een behandeling het contact verliezen. Het is geen landelijke telling van patiënten bij wie de nazorg wegvalt. Hermans noemt in haar antwoord de afgeronde schatting van 60.000 mensen na behandeling, maar zegt tegelijk dat landelijke gegevens over die uitstroom ontbreken.

De zorgen van de branchevereniging gaan vooral over overgangen: van een kliniek naar huis, van de ene zorgaanbieder naar de andere of van behandeling naar ondersteuning in de wijk. Het rapport bepleit begeleiding die bij zulke veranderingen doorloopt.

Vangnet en afspraken over terugval

Hermans benadrukt dat het einde van een behandeling niet altijd betekent dat iemands psychische kwetsbaarheid verdwenen is. Zij noemt een vangnet van familie en vrienden, buurtvoorzieningen en gemeentelijke ondersteuning. Volgens haar kunnen onder meer een gebrekkige overdracht naar de huisarts en een terugval waarbij hulp niet snel genoeg wordt uitgebreid ertoe leiden dat mensen uit beeld raken. Ook schaamte of verloren vertrouwen in hulpverleners kunnen een rol spelen.

Het kabinet wijst op afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord over de overdracht aan de huisarts bij mensen met een chronische psychiatrische aandoening van wie de klachten tijdelijk stabiel zijn. Daarbij moet een aanbod voor terugval worden uitgewerkt. Laagdrempelige steunpunten voor mensen met psychische problemen moeten in 2030 volledig beschikbaar en ingebed zijn in de wijk.

Voor de overgang tussen behandeling, hulp en ondersteuning is volgens de minister niet één partij verantwoordelijk. Zij noemt gezamenlijke inzet van ggz, gemeenten en het sociaal domein, met aandacht voor huisvesting en beschermd wonen. Het kabinet erkent dat bemoeizorg lokaal verschillend is georganiseerd en wil duidelijkere afspraken over samenwerking en regie. De beleidsvrijheid van gemeenten blijft daarbij het uitgangspunt.