Minister van Klimaat en Groene Groei Stientje van Veldhoven-van der Meer geeft de Kamer geen overzicht van de CO₂-vermindering die bedrijven met hun stroomsteun hebben bereikt. Ze verwijst naar openbare subsidiebedragen en zegt dat pas na 2030 de balans kan worden opgemaakt. De subsidieregels verlangen ondertussen wel voortgangsrapporten met de al bereikte vermindering van uitstoot.
Het gaat om de compensatie voor hogere elektriciteitsprijzen door het Europese handelssysteem voor uitstootrechten. Daarmee wil de overheid voorkomen dat energie-intensieve bedrijven vertrekken naar landen waar uitstoot minder kost. Nederland koppelt aan deze steun voorwaarden voor verduurzaming. In 2025 werd bijna 160 miljoen euro uitgekeerd voor productie in 2024, blijkt uit de jaarrapportage van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Een overzicht van geld beantwoordt de klimaatvraag niet
De Kamerleden Christine Teunissen en Ines Kostić van de Partij voor de Dieren vroegen hoeveel CO₂-reductie met het subsidiegeld is gerealiseerd en hoeveel nog moet volgen. Van Veldhoven wil maatregelen en geplande reductie niet per bedrijf bekendmaken, omdat die informatie volgens haar bedrijfsgevoelig is.
Op de vervolgvraag om cijfers per sector verwijst de minister naar de jaarlijkse RVO-rapportages. Die laten zien waar het geld terechtkomt: in 2025 ging ruim 68 miljoen euro naar de metaalsector, 47 miljoen naar de chemie en bijna 40 miljoen naar papier en karton. Ze bevatten geen overzicht van de bereikte CO₂-reductie. De gevraagde klimaatresultaten zijn daarmee ook op sectorniveau niet gegeven.
De regeling verlangt juist dat een voortgangsrapport meldt welke maatregelen zijn uitgevoerd, hoeveel ton CO₂ daarmee is bespaard en hoeveel procent dat is ten opzichte van het referentiejaar. Ook de totale reductie sinds de start moet erin staan. Volgens de minister heeft RVO in 2026 al rapportages gecontroleerd en op basis daarvan twintig subsidieaanvragen uit 2024 en veertien uit 2022 definitief vastgesteld.
De deadline geeft bedrijven ruimte tot eind 2030
De hoofdregel is dat bedrijven ten minste de helft van het ontvangen bedrag investeren in maatregelen die per subsidiejaar 3 procent minder CO₂-uitstoot opleveren ten opzichte van 2020. Die vermindering hoeft niet in ieder subsidiejaar zelf te worden gehaald. De opgetelde verplichting moet uiterlijk op 31 december 2030 zijn gerealiseerd. Een maatregel die pas in 2030 in gebruik wordt genomen, kan dus meetellen.
Onder vastgelegde voorwaarden is daarnaast een route mogelijk waarbij ten minste 30 procent van de stroom uit koolstofvrije bronnen moet komen. Dat speelt bijvoorbeeld bij verlieslatende bedrijven, zeer hoge kosten per bespaarde ton of een gebrek aan ruimte op het elektriciteitsnet. De regeling laat daarbij de uitvoering van de technische maatregelen die in het reductieplan staan overeind.
Die ruimte geeft bedrijven tijd om hun productie aan te passen en moet helpen werk en industrie in Europa te behouden. De overheid betaalt het volledige subsidiebedrag wel vooraf als voorschot. Het publieke geld wordt dus uitgekeerd voordat het uiteindelijke klimaatresultaat vaststaat. Inzicht in de voortgang is dan nodig om te kunnen beoordelen wat de samenleving tegenover die steun krijgt en of tijdig moet worden bijgestuurd.
Wel controles, geen gebundelde resultaten
Van Veldhoven zegt dat alle ingediende rapportages worden gecontroleerd. Bij drie aanvragen is in totaal ruim 8,1 miljoen euro teruggevorderd; de antwoorden noemen niet waardoor die bedrijven hun subsidie verloren. Op het verzoek om meer openheid over de geplande en gerealiseerde reductie wijst ze opnieuw op de bestaande informatie en de einddatum in 2030.
Die einddatum bepaalt wanneer bedrijven hun totale verplichting moeten hebben gehaald. De regeling vraagt al eerder om cijfers over de voortgang, en volgens de minister zijn er al aanvragen op basis van zulke rapporten afgerond. Hoeveel uitstoot met de gesubsidieerde maatregelen tot nu toe daadwerkelijk is voorkomen, geeft zij de Kamer ook gebundeld per sector niet mee.



