Staatssecretaris Claudia van Bruggen schrijft dat in haar op 5 oktober gepubliceerde antwoorden aan D66-Kamerlid Joost Sneller. Hij vroeg of de regels moesten veranderen om de macht bij geweld tegen gevangenen beter te spreiden.
De aanleiding is een proefschrift van Vincent Cozijn over het geweldmonopolie van de staat. Van Bruggen haalt daaruit de kritiek aan dat belangrijke aspecten van geweld tegen gedetineerden, tbs-gestelden en jongeren in justitiële jeugdinrichtingen op een te laag juridisch niveau zijn geregeld. Het onderzoek pleit voor vastlegging van bepaalde aspecten in een wet of algemene maatregel van bestuur.
De staatssecretaris deelt de conclusie over de scheiding der machten niet. Voor gevangenissen wijst zij op de Penitentiaire beginselenwet. Die geeft de directeur en de minister de bevoegdheid om geweld te gebruiken voor de in de wet omschreven doelen. Volgens Van Bruggen ligt die bevoegdheid daardoor vast in een wet die regering en parlement samen hebben vastgesteld, ook al staan nadere regels in een ministeriële regeling.
De directeur legt in een dienstinstructie vast welke medewerkers onder welke omstandigheden geweld mogen toepassen en welke middelen zij mogen gebruiken. De actuele Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen verlangt bovendien dat wie een geweldsmiddel gebruikt daartoe is aangewezen en daarin is geoefend.
Gedetineerden kunnen over het gebruik van geweld klagen bij de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht. Tegen de uitspraak staat beroep open bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Van Bruggen benadrukt dat beide instanties onafhankelijk beslissen. Daarnaast kan een gedetineerde aangifte doen.
De beantwoording kondigt geen maatregel aan om de geweldsinstructie op een hoger wettelijk niveau vast te leggen.



