Woningzoekenden krijgen met het landelijke doel van 30.000 nieuwe sociale huurwoningen per jaar geen afspraak over evenveel extra beschikbare huizen. Woningen die worden gesloopt of verkocht, gaan daar nog vanaf. Voor de groei die daarna overblijft, heeft het kabinet geen vast aantalsdoel.
Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Elanor Boekholt-O’Sullivan bevestigt dat in antwoorden aan Habtamu de Hoop van PRO. Het bouwdoel geldt vanaf 2029. Groei van de sociale huurvoorraad is wel de ambitie, maar daaraan is volgens de minister geen concrete landelijke aantalsafspraak verbonden.
De eigen bouwsom laat het verschil zien
Uit onderzoek van Het Bericht blijkt dat de oorspronkelijke onderbouwing van de Nationale Prestatieafspraken dit verschil al zichtbaar maakte. In het rekenbeeld bij de afspraken van eind 2024 stonden voor 2029 tegenover 30.000 nieuwe sociale huurwoningen ruim 16.000 woningen die door sloop of verkoop uit de sociale huur zouden verdwijnen. Er bleven in dat rekenbeeld dus minder dan 14.000 extra sociale huurwoningen over.
| Ontwikkeling sociale huur | Aantal woningen |
|---|---|
| Nieuwbouw | 30.000 erbij |
| Sloop | 10.494 eraf |
| Verkoop aan eigenaar-bewoners | 5.545 eraf |
| Verwachte groei in dat rekenbeeld | 13.961 |
Dit is de oorspronkelijke raming, geen actuele voorspelling van wat in 2029 werkelijk wordt opgeleverd. Zij maakt wel duidelijk wat het bouwdoel telt. Het aantal nieuwe woningen en de groei van de voorraad zijn verschillende uitkomsten. De afspraken voorzien daarom ook in het volgen van de woningen die er per saldo bijkomen.
Sloop is soms nodig om versleten woningen te vervangen of op dezelfde plek meer woningen te bouwen. Verkoop kan geld opleveren voor nieuwe sociale huur en een woning beschikbaar maken voor iemand die wil kopen. Maar voor wie op sociale huur is aangewezen, blijft van belang hoeveel betaalbare huurwoningen er uiteindelijk overblijven, en waar die staan.
Landelijke bouwafspraak garandeert geen groei in elke gemeente
De vragen gaan over gemeenten waar meer sociale huur nodig is, terwijl een corporatie zegt de uitbreiding niet te kunnen betalen. De minister erkent dat gebrek aan investeringsruimte een landelijk probleem is. Het speelt niet alleen in kwetsbare regio’s.
Het Rijk verlangt dat gemeenten regionaal bijdragen aan voldoende betaalbare nieuwbouw. Dat betekent volgens Boekholt-O’Sullivan niet dat iedere corporatie in iedere gemeente tegelijk kan investeren. Een corporatie mag financiële afwegingen maken en rekening houden met beschikbare bouwlocaties. De opbrengst van een verkochte woning hoeft niet volledig terug te keren naar dezelfde gemeente.
Dat kan geld beschikbaar maken waar de woningnood groot is. Maar een gemeente die lokaal sociale huur tekortkomt, krijgt daarmee nog geen toezegging dat haar eigen voorraad groeit. De minister verwacht dat gemeenten en corporaties daarover tijdig afspraken maken.
Ook het betalen van de bouw blijft een opgave
Boekholt-O’Sullivan noemt maatregelen die de financiële ruimte van corporaties moeten vergroten, zoals minder beperking van renteaftrek, een hogere huur voor huishoudens die meer kunnen betalen en meer ruimte om middelen uit commerciële activiteiten voor sociale huur in te zetten. Niet alleen de overheid en corporaties, maar ook een deel van de huurders moet daarmee aan de financiering bijdragen.
De minister erkent daarnaast dat corporaties hun opgaven met het huidige verdienmodel niet blijvend kunnen betalen. Een onafhankelijke adviescommissie moet onderzoeken welke taken zij na 2035 krijgen en hoe die worden gefinancierd.
Het Bericht schreef eerder over de spanning tussen bouwtempo, betaalbaarheid en de verdeling over buurten. De landelijke bouwafspraak beantwoordt niet vanzelf de lokale vraag of er voor een woningzoekende meer sociale huur beschikbaar komt.


