Staatssecretaris van Financiën Eelco Eerenberg schrijft dat in antwoorden aan BBB-Kamerleden Henk Vermeer en Caroline van der Plas. Zij vroegen om aanpassing van de fiscale regels voor boeren die grond uitruilen voor wisselteelt.
De landbouwvrijstelling ziet op bepaalde waardeontwikkelingen van landbouwgrond. Als een boer grond tijdelijk aan een ander beschikbaar stelt, geldt de vrijstelling in beginsel niet voor de waardeontwikkeling tijdens die periode. Er bestaat een uitzondering voor noodzakelijke vruchtwisseling binnen de eigen landbouwonderneming.
Die uitzondering wordt beoordeeld vanuit de eigenaar die de grond beschikbaar stelt. Een akkerbouwer kan grond bijvoorbeeld tijdelijk uit gebruik geven om later zijn eigen teelt op een gezonde bodem voort te zetten. Voor een melkveehouder die grasland aan die akkerbouwer afstaat, ziet het kabinet die noodzaak niet. Dat de akkerbouwer de grond nodig heeft voor zijn wisselteelt, is voor de vrijstelling van de melkveehouder dus niet voldoende.
Dat betekent niet dat de melkveehouder de vrijstelling over de hele geschiedenis van de grond verliest. De waardeontwikkeling tijdens gebruik in het eigen landbouwbedrijf kan vrijgesteld blijven, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. De beperking betreft de periode waarin de grond aan een ander beschikbaar is gesteld.
Bodemvoordeel verandert de fiscale grens niet
Het kabinet erkent dat vruchtwisseling nodig is om bodemgebonden ziekten en plagen te voorkomen en bijdraagt aan minder gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Dat kan binnen een akkerbouwbedrijf, bijvoorbeeld met rustgewassen, en in samenwerking met melkveehouders.
Vermeer en Van der Plas vragen om het maatschappelijke en landbouwkundige voordeel mee te wegen. Volgens Eerenberg houdt het beleidsbesluit daar al zo veel mogelijk rekening mee binnen de ruimte van de wet. Een verdere verruiming zou een wetswijziging vergen en ligt volgens het kabinet niet voor de hand, mede gezien de uitkomsten van de evaluatie van de landbouwvrijstelling.
Het kabinet acht het denkbaar dat een melkveehouder door het gedeeltelijke verlies van de vrijstelling minder bereid is grond te ruilen. Of dit daadwerkelijk gebeurt en welke gevolgen het heeft, is niet bekend. Een afname van beschikbare grond of een stijging van het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt daarmee niet vastgesteld.



