Kinderen in de asielnoodopvang krijgen nog geen termijn waarop zij naar een geschikte, vaste opvangplek kunnen. Minister van Asiel en Migratie Bart van den Brink verwijst voor die termijn naar een latere kabinetsreactie. Robert van Asten (D66) en Lisa Westerveld (PRO) hadden daar juist om gevraagd na het veiligheidsalarm van de Onderzoeksraad voor Veiligheid.

Die raad beschreef op 21 september hoe kinderen langdurig opgroeien in noodlocaties, zoals hallen en leegstaande kantoren. Er is te weinig privacy en rust. Verhuizingen onderbreken school en zorg. De raad concludeert dat deze omstandigheden kinderen schade toebrengen en niet voldoen aan de waarborgen uit het Kinderrechtenverdrag.

Wel een brief in zicht, geen verhuisdatum

De Onderzoeksraad wil dat de veiligheid binnen zes maanden verbetert. Gevaarlijke situaties moeten direct worden opgeheven, of kinderen moeten naar een veilige locatie worden overgeplaatst. Ook moet er een harde bovengrens komen voor hun verblijf in de noodopvang.

Van den Brink zegt de aanbevelingen te bestuderen. Hij wil vóór de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid met een pakket maatregelen komen. Zijn antwoord geeft nog geen maximale verblijfsduur of planning om kinderen naar reguliere opvang te brengen. De termijn voor een brief zegt daarmee nog niet wanneer hun woonomstandigheden veranderen.

Al in 2025 gevraagd: tel wie school mist

Hoeveel kinderen in de noodopvang niet naar school gaan, kan de minister evenmin landelijk aangeven. Hij erkent dat de start op school vaak vertraging oploopt en verhuizingen tot schoolwisselingen leiden.

Uit onderzoek van Het Bericht blijkt dat drie inspecties al op 17 juli 2025 om registratie vroegen van kinderen die niet tijdig naar school konden of na een verhuizing onderwijs misten. De Inspectie Justitie en Veiligheid, de onderwijsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd wilden daarmee zicht op de onderbrekingen in hun ontwikkeling. Ruim een jaar later ontbreekt in het nieuwe antwoord nog steeds een landelijke telling.

Er zijn wel maatregelen om onderwijs te organiseren. Het ministerie van Onderwijs en LOWAN, de organisatie voor onderwijs aan nieuwkomers, helpen scholen en gemeenten extra plekken te maken. Een gemeente kan bij grote tekorten toestemming vragen voor een tijdelijke onderwijsvoorziening. Daarmee zijn er oplossingen voor afzonderlijke locaties, maar het antwoord laat niet zien hoeveel kinderen desondanks lessen missen.

Hulp bij stress bereikt niet ieder kind

Ook ondersteuning bij stress en ingrijpende ervaringen is niet voor alle kinderen beschikbaar. Zulke activiteiten bestaan al gedeeltelijk, schrijft Van den Brink. Voor bredere toegang zoekt hij nog geld. Een datum waarop ieder kind die ondersteuning kan krijgen, noemt hij niet.

De Onderzoeksraad ziet het gebrek aan veilige opvang als een bestuurlijk probleem dat al jaren voortduurt. Gemeenten en opvangorganisaties hebben blijvende financiering en voldoende vaste plekken nodig. Het conflict over tijdelijke opvang dat in Epe nieuwe opvangplannen stillegde, laat zien hoe tekorten ook de samenwerking voor nieuwe plaatsen kunnen beschadigen.

Van den Brink zet in op meer vaste plaatsen via de Spreidingswet. In afwachting daarvan moet opvangorganisatie COA de leefomstandigheden verbeteren waar kinderen nu verblijven. Welke concrete stappen daarvoor worden gezet, wil hij uitwerken in de aangekondigde reactie op het rapport.