Of patiënten bij een snel uitbreidende natuurbrand op tijd naar een andere zorglocatie kunnen, hangt af van meer dan een ontruimingsplan. Er moeten ook geschikte opvangplekken en vervoermiddelen beschikbaar zijn. Op de vraag of dat voor iedere onderzochte zorglocatie is geregeld, geeft minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Sophie Hermans geen overzicht. Zij antwoordt aan D66-Kamerleden Marc Vervuurt en Mahjoub Mathlouti.

De aanleiding is onderzoek van Pointer uit september. De redactie legde gegevens over gebouwen waar mensen zichzelf moeilijk in veiligheid kunnen brengen naast een kaart van natuurbrandrisico’s. Zij vond 189 gebouwen die geheel of gedeeltelijk in gebieden met het hoogste risico op het ontstaan van een natuurbrand liggen. Daaronder zijn ziekenhuizen en ggz-locaties, maar ook scholen en kinderopvang. Het gaat dus niet om 189 zorginstellingen. Bij 41 gebouwen was de registratie als ‘zeer kwetsbaar’ nog niet door de gemeente bevestigd.

Een vrij bed is nog geen geschikte opvangplek

Zorginstellingen moeten volgens Hermans vooraf nadenken over uitwijklocaties en vervoer. Bij een grote evacuatie stemmen zij af met de regionale organisatie voor geneeskundige hulp bij rampen en met andere zorg- en veiligheidspartners.

Hoeveel plaatsen en welke voertuigen nodig zijn, hangt af van de omvang van de evacuatie en de zorg die patiënten nodig hebben. Een opvangplek is pas bruikbaar als de benodigde zorg er kan doorgaan. Het antwoord beschrijft hoe partijen dat moeten organiseren, maar laat niet zien of de benodigde capaciteit voor iedere betrokken locatie ook beschikbaar is.

Ook de bestrijding kan bij gelijktijdige natuurbranden onder druk komen te staan. Het Bericht beschreef eerder hoe blushelikopters afhankelijk zijn van één gespecialiseerd grondteam. De landelijke risicoanalyse waarschuwt dat meerdere branden tegelijk om dezelfde schaarse hulp kunnen vragen.

Een brand stopt niet bij de grens van het zorgterrein

Voor maatregelen rond een gebouw kan een zorginstelling niet alles alleen regelen. Hermans noemt onder meer brandbare begroeiing, bluswater, bereikbaarheid voor hulpdiensten en geschikte toegangs- en vluchtroutes. Daarbij zijn ook gemeenten, provincies, veiligheidsregio’s en terreinbeheerders betrokken.

Het kabinet erkent dat bestaande wetten nog niet vanzelf tot een gezamenlijke aanpak per risicogebied leiden. Het onderzoekt daarom twee aanvullingen: een verplicht programma voor natuurbrandbeheersing en een specifiekere plicht om natuurbrandrisico’s te voorkomen en te beperken. Die zijn nog niet ingevoerd.

Uit onderzoek van Het Bericht blijkt dat deze twee mogelijke wetsaanpassingen al in de Kamerbrief van 22 mei werden verkend. In het nieuwe antwoord staat die verkenning opnieuw. Een datum voor invoering ontbreekt.

Er is wel geld voor preventie beschikbaar. De meibrief noemt 70 miljoen euro voor de periode 2024 tot en met 2030, onder meer voor plannen en maatregelen om natuurbrandrisico’s te beperken. Het nieuwe antwoord verwijst naar plannen die onder leiding van provincies worden opgesteld.

De brandweer kan niet zelf alle maatregelen afdwingen

De Kamerleden vroegen ook of de brandweer buiten een gebouw alleen kan adviseren, terwijl zij binnen wel maatregelen zou kunnen afdwingen. Hermans corrigeert die tegenstelling. Ook binnen gebouwen ligt de bevoegdheid om voorschriften te stellen en te handhaven bij de bevoegde overheid, niet zelfstandig bij de brandweer.

De minister wil de Kamer dit najaar verder informeren over de voorbereiding van de zorg op crises.