Minister van Asiel en Migratie Bart van den Brink heeft laten onderzoeken of toekomstperspectief een rol kan krijgen bij het verlenen van een verblijfsvergunning. Dat schrijft hij aan Don Ceder van de ChristenUnie. Ceder vroeg in een motie om die mogelijkheid juridisch uit te werken voor kinderen die in de Nederlandse samenleving zijn geworteld.

De minister betwijfelt niet dat er kinderen zonder rechtmatig verblijf zijn die Nederlands spreken, goed zijn opgeleid en de Nederlandse normen en waarden onderschrijven. Maar hij vindt hun mogelijke toekomstige bijdrage te onzeker om er een zelfstandige grond voor verblijf van te maken. Of een kind een opleiding afrondt, welke studie het kiest en hoe de arbeidsmarkt zich ontwikkelt, is vooraf niet te bepalen. Een regeling op die basis zou volgens hem de rechtsgelijkheid aantasten en meer bezwaar- en beroepsprocedures opleveren.

Ook mogelijkheden via verblijfsvergunningen voor studie of werk zijn verkend, met aandacht voor de praktijk in andere landen, waaronder Duitsland. Het kabinet wil die opties niet verder uitwerken als zij na langdurig onrechtmatig verblijf tot legalisering leiden om de enkele reden dat iemand later mogelijk een positieve bijdrage kan leveren. Van den Brink wijst daarbij op gezinnen die zich wel aan hun vertrekplicht hebben gehouden.

Banden met Nederland blijven meetellen

De afwijzing van een nieuwe route betekent niet dat opgroeien in Nederland buiten de bestaande beoordeling valt. Bij de afweging op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens worden persoonlijke belangen tegenover die van de staat gezet. Dat artikel beschermt het familie- en gezinsleven en het privéleven.

Volgens de minister is het belang van het kind een eerste overweging die zwaar meeweegt. De binding met Nederland hoort daarbij. De jaren waarin een kind hier zijn privéleven heeft opgebouwd, wegen zwaarder dan bij een volwassene. Ook tijd zonder rechtmatig verblijf telt mee, maar het onrechtmatige karakter ervan wordt in het nadeel van de betrokkene gewogen.

De huidige werkinstructie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst noemt onder meer Nederlandse taalbeheersing, opleiding, vriendschappen en deelname aan verenigingen als mogelijke onderdelen van die binding. Zij verlangt ook aandacht voor de gevolgen van een besluit voor betrokken kinderen. Het kinderbelang geeft daarbij geen automatische aanspraak op verblijf.

Ceder vroeg daarnaast om een verplichte toets aan artikel 8 voor minderjarigen. Van den Brink ziet daarvoor geen noodzaak tot nieuwe regelgeving. De IND toetst volgens hem al op aanvraag en in daarvoor aangewezen procedures uit eigen beweging, wanneer familie- of gezinsleven of privéleven in het geding is.