Een gebruiker van X zag zijn account en berichten in oktober 2023 opeens niet meer terug in zoekresultaten. Aanleiding was een gedeeld NOS-artikel over Europese plannen om chats te controleren op kindermisbruik. X merkte zijn bericht automatisch aan als mogelijk ongepast. De beperking werd na vijf dagen opgeheven. De strijd om de interne aantekeningen over zijn account duurde veel langer: op 14 april 2026 gaf het gerechtshof Amsterdam hem recht op vrijwel volledige inzage.

Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Claudia van Bruggen zag in die uitspraak geen reden om de Autoriteit Persoonsgegevens om een extra analyse te vragen. Het afdwingen van het rechterlijke bevel lag bij de gebruiker en het bedrijf, schreef zij op 3 juni aan Barbara Kathmann, destijds van GroenLinks-PvdA, en Laurens Dassen (Volt).

Ongeveer 2.700 regels over één account

Uit onderzoek van Het Bericht blijkt dat ruim tweeënhalf jaar zat tussen het eerste inzageverzoek op 13 oktober 2023 en het oordeel van het hof. De gebruiker kreeg tussentijds wel uitleg en gegevens: in januari 2024 een toelichting op de beperking, in september 2024 een deels zwartgemaakt intern overzicht. De vraag welke delen X geheim mocht houden, bleef onderdeel van de rechtszaak.

Het overzicht dat het hof bekeek telde ongeveer 2.700 regels. Daarin stonden acties rond zijn account, interne markeringen van berichten, advertentie-instellingen en controles op spam en accountveiligheid. Zulke informatie kan verklaren hoe een platform een gebruiker beoordeelt en behandelt. De gebruiker moest volgens het hof ook kunnen zien bij welke eigen post een actie hoorde. Zonder die koppeling zou inzage voor hem zinloos zijn.

X beriep zich op bedrijfsgeheimen. Het bedrijf wilde voorkomen dat mensen zijn systemen voor het beoordelen van berichten, spamfilters of advertenties zouden kunnen omzeilen. Het hof vond die risico’s voor het overgrote deel van de gegevens onvoldoende onderbouwd. Namen van medewerkers en precieze tijdstippen mochten afgeschermd blijven. De dag waarop een actie plaatsvond moest wel zichtbaar worden.

Een dwangsom die volgens de rechter werkte

De rechtbank had X bevolen de gegevens te geven binnen een maand nadat het bevel officieel aan het bedrijf was bezorgd. Voor iedere dag dat X daar niet aan voldeed, gold een dwangsom van 4.000 euro. Het hof liet die dwangsom zonder maximumbedrag in stand. Volgens de rechters had de financiële prikkel X juist bewogen telkens meer informatie te geven.

Er waren dus middelen om openheid af te dwingen. Tegelijk vergde het gebruik ervan een lange procedure tegenover een internationaal bedrijf. De gebruiker voerde in hoger beroep zelf zijn zaak; X liet zich door advocaten bijstaan. Het bedrijf werd grotendeels in het ongelijk gesteld en moest de proceskosten in hoger beroep betalen.

De staatssecretaris benadrukte in juni dat het bevel direct moest worden uitgevoerd. Als een partij dat niet doet, kan de wederpartij via de rechter naleving afdwingen. Of X daarna alle voorgeschreven gegevens heeft verstrekt, staat niet in de onderzochte stukken.

Recht op inzage bestaat al, toegang kost inzet

De zaak gaat over meer dan een kopie van een naam of e-mailadres. Een platform kan zonder waarschuwing de vindbaarheid van iemands berichten beperken. Om zo’n beslissing te controleren, moet de gebruiker kunnen achterhalen welke gegevens en beoordelingen erachter zitten. Die informatie is in handen van het bedrijf waarmee hij een geschil heeft.

Wie geen goede reactie krijgt op een inzageverzoek, kan ook een klacht indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Die route staat naast een procedure bij de rechter. Van Bruggen wees op de bestaande voorlichting van de toezichthouder. Voor betere rechtsbescherming verwees zij verder naar een voorgenomen herziening van de Nederlandse privacywet; een concrete nieuwe voorziening voor gebruikers in een zaak als deze kondigde zij niet aan.