Nederland wil kunstenaars, ambachtslieden en andere kleine exporteurs tijdelijk vrijstellen van de verplichting om in andere EU-landen een lokale vertegenwoordiger voor hun verpakkingsafval aan te wijzen. Minister Stientje van Veldhoven-van der Meer zegt dat in antwoorden aan PRO-Kamerlid Ani Zalinyan. Zij geeft geen ingangsdatum of concrete grens voor de beoogde uitzondering.
De verplichting geldt ondertussen al. Volgens de Europese Commissie is zij sinds augustus van toepassing in alle lidstaten. In sommige landen bestond ze eerder al. Het voorstel om haar tijdelijk op te schorten wordt nog behandeld. De Commissie vraagt landen om de plicht pragmatisch toe te passen en ondernemers voorlopig niet te bestraffen. Dat verzoek is geen aangenomen vrijstelling.
Een pakket over de grens, een vertegenwoordiger ter plaatse
De regels moeten ervoor zorgen dat bedrijven meebetalen aan het inzamelen en verwerken van de verpakkingen die zij op de markt brengen. Die kosten horen bij het product, ook nadat de koper de doos heeft weggegooid. Als producenten ze niet dragen, komen afvalbeheer en de financiering daarvan bij anderen terecht.
Voor producenten die verpakte producten rechtstreeks aan eindgebruikers in andere EU-landen verkopen, komt daar een aparte verplichting bij: een vertegenwoordiger in het verkoopland die namens hen taken rond die afvalverantwoordelijkheid vervult. Dat kan gaan om registratie, rapportage en financiële bijdragen. Een kleine afzet neemt deze plicht niet vanzelf weg.
Van Veldhoven noemt juist de financiële last voor zeer kleine ondernemers als reden voor de Nederlandse inzet. Het betalen voor afval is daarbij iets anders dan de kosten en administratie van een vertegenwoordiger per land. Voor een kleine exporteur telt niet alleen hoeveel dozen hij verstuurt, maar ook in hoeveel landen hij aan de verplichtingen moet voldoen.
Verlichting voor kleine afzet, toezicht op grote stromen
Het kabinet steunt geen algemene opschorting voor alle vormen van producentenverantwoordelijkheid. Het vreest dat dit handhaving bemoeilijkt en ondernemers die de regels naleven op achterstand zet. Voor verpakkingen wil het wel een tijdelijke uitzondering voor in de EU gevestigde producenten die jaarlijks een zeer kleine hoeveelheid in een andere lidstaat op de markt brengen.
Die beperkte uitzondering moet eenvoudige grenshandel mogelijk maken zonder het toezicht op afvalstromen als geheel weg te nemen. De grens is bepalend: wie eronder valt, hoeft tijdelijk geen vertegenwoordiger aan te wijzen; wie erboven zit, wel. Hoe laag Nederland die grens wil leggen, staat niet in de antwoorden.
Er bestaat al een andere grens van 10.000 kilo verpakkingen per jaar per lidstaat, waaronder de Europese verpakkingsregels voorzien in lichtere rapportage. Dat is geen vrijstelling van de lokale vertegenwoordiger. De uniforme registratie- en rapportageregels worden nog uitgewerkt. Volgens de Commissie moeten ondernemers intussen de bestaande nationale registratieregels blijven volgen.
Eén loket is nog een voornemen
Nederland wil ook één digitaal Europees loket voor registratie en rapportage, in plaats van afzonderlijke systemen per land. Het kabinet steunt dat voorstel, maar zo'n loket is nog niet beschikbaar. Het wil daarnaast voorkomen dat vaste starttarieven kleine producenten met weinig verpakkingsafval onevenredig treffen.
Een gezamenlijk loket kan dubbele administratie verminderen. Verschillende tarieven en nationale verplichtingen verdwijnen daarmee niet vanzelf. De Nederlandse inzet gaat daarom ook over het gelijk trekken van eisen en behoud van toezicht.
De minister wijst op regels die stapsgewijs ingaan en waarvan veel pas vanaf 2030 gelden. Speciaal voor micro- en kleine ondernemingen wordt in 2027 voorlichtingsmateriaal gemaakt. Voor de vertegenwoordiger bij verkoop over de grens is de verplichting al begonnen; de beloofde verlichting moet nog worden geregeld.
