Scholen hebben meer medewerkers die leerlingen en leraren ondersteunen, terwijl de omvang van hun directies afneemt. Onderwijsassistenten begeleiden bijvoorbeeld groepjes kinderen of helpen bij een practicum. Zij staan in de personeelscijfers naast medewerkers die administratief werk doen. Wie die hele groep als bureaucratie telt, mist dus een deel van het werk in de klas.
Dat onderscheid doet ertoe nu de stijgende onderwijsuitgaven opnieuw ter discussie staan. Staatssecretaris Judith Tielen (Onderwijs, VVD) bevestigt dat de uitgaven per leerling sinds 1995, na inflatiecorrectie, ongeveer zijn verdubbeld. De lees- en rekenprestaties zijn ondertussen gedaald. Maar waar het extra geld naartoe ging en wat het opleverde, vraagt meer dan een telling van leraren en niet-leraren.
Ondersteuning groeide, directie kromp
Uit onderzoek van Het Bericht blijkt dat de groei van het ondersteunend personeel in de officiële OCW-cijfers samengaat met een daling van de directiecapaciteit. We vergeleken de afzonderlijke functiegroepen in het primair en voortgezet onderwijs tussen 2011 en 2025. In beide sectoren groeide de ondersteuning, terwijl er minder voltijdsbanen voor directie overbleven.
| Sector en functie | 2011 | 2025 |
|---|---|---|
| Primair onderwijs: ondersteuning | 21.500 | 35.700 |
| Primair onderwijs: directie | 10.200 | 8.100 |
| Voortgezet onderwijs: ondersteuning | 20.200 | 25.900 |
| Voortgezet onderwijs: directie | 3.400 | 2.500 |
Het gaat om voltijdsbanen, niet om aantallen mensen. De gegevens van OCW zijn gebaseerd op de salarisadministraties van scholen, met 1 oktober als peildatum. De categorie ondersteuning omvat meer dan onderwijsassistenten alleen, waaronder ook administratief personeel.
De aanleiding voor de discussie is een ESB-artikel van Misha van Denderen. Hij berekent een sterke groei van het niet-lesgevende personeel en legt een verband met onder meer extra kantoortaken. Ook hij benoemt de groei van klassenassistenten. Zijn vergelijking begint in 1995, bevat bij het secundair onderwijs ook mbo en volwassenenonderwijs en corrigeert onder meer voor leerlingenaantallen. De tabel hierboven laat een andere, kortere periode zien en splitst directie en ondersteuning uit.
Wel extra handen, niet altijd duidelijke afspraken
Een onderzoek van CAOP, Centerdata en MOOZ uit februari 2025 laat zien wat ondersteuning in de klas kan betekenen. Leraren en ondersteuners noemen extra begeleiding voor leerlingen, hulp bij lessen en verlichting van de werkdruk. De meeste deelnemers zijn tevreden over de samenwerking.
Hetzelfde onderzoek beschrijft een kwetsbare kant. Ondersteuners krijgen geregeld onverwachte taken, soms werk waarvoor zij niet bevoegd zijn. Deelnemers vertellen bijvoorbeeld dat zij moeten invallen als een leraar ontbreekt. Afspraken over hun werk zijn niet altijd vastgelegd of worden niet nagekomen. Daardoor moeten zij zelf bewaken waar hun verantwoordelijkheid ophoudt.
De onderzoekers spraken in groepsgesprekken met ondersteuners, leraren en schoolleiders en hielden een enquête. Hun bevindingen gaan over medewerkers die direct met leerlingen werken in het reguliere basis- en voortgezet onderwijs. Het onderzoek brengt ervaringen en knelpunten in kaart; het meet geen landelijke leerwinst door de extra ondersteuners.
Wat krijgen leerlingen voor het geld?
Tielen wijst op de bijdrage van ondersteuners aan lagere werkdruk en extra begeleiding. In haar antwoorden noemt zij voor Nederland geen concrete cijfers over hun effect op leerprestaties. Het onderzoek uit 2025 laat wel zien waar schoolbesturen op kunnen sturen: een duidelijk takenpakket, goede afstemming met de leraar en tijd voor scholing.
Daar ligt ook de publieke verantwoording. Geld voor extra hulp moet leerlingen bereiken, en ondersteuners moeten hun werk kunnen doen zonder steeds gaten buiten hun functie op te vullen. Alleen kijken hoeveel medewerkers zelf lesgeven, maakt die verdeling onzichtbaar. Alleen méér personeel als succes presenteren doet dat evenzeer.
De onderzoekers adviseren scholen daarom vast te leggen waarvoor zij ondersteuners inzetten en wat zij daarmee willen bereiken. Zij zien bovendien dat een hoger salaris of een hogere functieschaal na verdere ontwikkeling vaak uitblijft.
