Een rolstoel of ander hulpmiddel via de gemeente aanvragen begint met een melding: iemand geeft aan ondersteuning nodig te hebben. De gemeente onderzoekt vervolgens wat nodig is. Pas daarna volgt de formele aanvraag en een besluit. Voor mensen die zonder passend hulpmiddel thuiszitten, maakt het uit wanneer de klok begint te lopen.
Uit onderzoek van Het Bericht blijkt dat minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport Mirjam Sterk die stappen in nieuwe antwoorden door elkaar haalt. Zij schrijft dat vanaf de formele aanvraag een termijn van acht weken voor het besluit begint. Dat klopt niet met de Wmo: die geeft de gemeente in beginsel twee weken na ontvangst van de aanvraag.
Zes weken onderzoek, daarna twee weken voor een besluit
De zes andere weken horen bij het onderzoek, dat uiterlijk zes weken na de eerste melding moet zijn uitgevoerd. Als dat onderzoek niet op tijd klaar is, mag iemand toch een formele aanvraag indienen. De gemeente kan de onderzoeksfase dus niet onbeperkt laten duren voordat iemand een besluit kan vragen.
| Stap | Startpunt | Wettelijke termijn |
|---|---|---|
| Onderzoek naar de hulpvraag | Melding bij de gemeente | Uiterlijk binnen 6 weken |
| Besluit over de aanvraag | Ontvangst formele aanvraag | In beginsel binnen 2 weken |
Op een andere plek in dezelfde antwoorden beschrijft Sterk de twee stappen wél correct. De tegenstrijdigheid staat in haar reactie op vragen van Kamerlid Lisa Westerveld, die wil weten vanaf welk moment de wachttijd voor een hulpmiddel wordt geregistreerd. Een verkeerde uitleg over het startpunt laat de gemeente op papier meer tijd dan de normale wettelijke beslistermijn.
De antwoorden veranderen de wet niet. De twee weken gaan bovendien over het besluit, niet over het moment waarop de rolstoel werkelijk wordt geleverd. Dat onderscheid is belangrijk: een besluit op tijd betekent nog niet dat iemand weer naar school, werk of buiten kan.
Geen maximum voor het hele traject
Een landelijke maximale termijn voor het hele traject, van eerste hulpvraag tot een bruikbaar hulpmiddel, wil Sterk nu niet voorstellen. Zij verwijst naar bestaande wettelijke termijnen en naar proeven die de samenwerking tussen gemeenten en zorgprofessionals moeten verbeteren.
Voor levering en reparatie maken gemeenten afspraken met leveranciers. Maar VWS heeft geen landelijk overzicht van de precieze afspraken of van de naleving daarvan. De gemeente moet haar leverancier zelf op die afspraken aanspreken. Ook de totale kosten van lange aanvraagroutes, inclusief reistijd, wachttijd en gezondheidsschade, worden niet onderzocht.
Nieuwe afspraken moeten vanaf 2027 helpen
Het kabinet werkt wel aan verbeteringen. Vanaf 1 januari 2027 gaan gemeenten via hun landelijke vereniging werken met verplichte standaarden voor nieuwe hulpmiddelencontracten. Ook worden afspraken vernieuwd die mensen bij een ingewikkelde aanvraag één vast aanspreekpunt moeten geven en moeten helpen hun hulpmiddel te behouden bij een verhuizing.
Sterk wijst verder op een nieuwe ervaringsmonitor waarin gebruikers de dienstverlening gemiddeld een voldoende geven en het uiteindelijke hulpmiddel meestal positief beoordelen.
