Het aandeel nieuwe woningen met minstens 30 procent natuurlijke bouwmaterialen is in 2025 gestegen naar 0,9 procent. Een jaar eerder was dat afgerond nul. Maar het gemiddelde aandeel van zulke materialen in de bouwmassa van alle nieuwbouwwoningen daalde van 1,6 naar 1,4 procent. Beide uitkomsten staan in de monitor van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

In haar antwoorden van 7 oktober aan VVD-Kamerlid Jurgen Nobel noemt minister Elanor Boekholt-O’Sullivan de groei bij woningen die de grens van 30 procent halen. De daling van het gemiddelde aandeel noemt zij niet. Het verschil is wezenlijk: een grotere groep woningen met veel natuurlijke materialen betekent nog geen hoger materiaalaandeel in de hele woningnieuwbouw.

Twee meetlatten, twee uitkomsten

De monitor gebruikt gegevens van bouwprojecten die onderzoeksbureau Buildsight heeft bezocht. De uitkomsten uit die steekproef worden gewogen om een landelijk beeld te krijgen. Het gaat om materiaalgewicht, niet om een meting van bespaarde CO₂. Biobased materialen zijn gemaakt van hernieuwbare grondstoffen, zoals hout, vlas, hennep en stro.

Natuurlijke materialen in nieuwe woningen: wat wordt gemeten?
Meetlat20242025
Gemiddeld aandeel in de totale bouwmassa, inclusief fundering1,6%1,4%
Aandeel woningen met minstens 30% natuurlijke materialen, inclusief fundering0,0% (afgerond)0,9%
Aandeel woningen met minstens 30% natuurlijke materialen, zonder fundering3,9%5,1%

De fundering maakt veel verschil, omdat beton zwaar weegt. Laat de monitor die buiten beschouwing, dan haalt 5,1 procent van de nieuwe woningen in 2025 de grens van 30 procent natuurlijke materialen. Inclusief de fundering blijft dat 0,9 procent. De minister noemt ook de groei bij appartementen zonder fundering, van 2,3 naar 5,4 procent.

De monitor verklaart de lagere gemiddelde uitkomst uit een andere samenstelling van de opgeleverde woningen: minder vrijstaande huizen en meer rijwoningen, en gemiddeld kleinere woningen. Het aandeel natuurlijke materialen in de bouwmassa daalde bij vrijwel alle woningtypen. Appartementen vormden de uitzondering.

Het doel is geen houtplicht

Voor 2030 wil het Rijk dat minstens 30 procent van de nieuwe woningen voor minstens 30 procent van hun massa uit natuurlijke materialen bestaat. Nobel stelde zijn vragen naar aanleiding van berichtgeving over een verplichte toepassing. Maar de Nationale Aanpak Biobased Bouwen beschrijft een ambitie. De minister wil die niet als bindend percentage voor individuele woningen opnemen.

Er gelden wel regels voor de milieuprestatie van gebouwen. Die beoordelen de milieubelasting van de toegepaste materialen gedurende de levensduur van een gebouw en schrijven geen vast aandeel hout of vlas voor. De keuze voor een materiaal en de milieuprestatie van het hele gebouw zijn dus verschillende zaken.

Opschalen vraagt meer dan een streefgetal

Het doel raakt zowel de behoefte aan betaalbare woningen als het terugdringen van de milieubelasting van de bouw. Een deel van de natuurlijke bouwproducten is nog duurder dan gangbare alternatieven. Een algemeen percentage voor die meerkosten is er niet, schrijft Boekholt-O’Sullivan. Ook testen en aantonen dat een nieuw product aan de bouwregels voldoet, kan extra tijd en geld kosten.

Een grotere, voorspelbare vraag moet producenten ruimte geven om meer te maken en de kostprijs te verlagen. Daarvoor zijn afspraken nodig tussen boeren die vezelgewassen telen, verwerkers en bouwbedrijven. De oorspronkelijke aanpak benoemt ook de rol van grote opdrachtgevers, waaronder het Rijksvastgoedbedrijf en woningcorporaties, die met hun projecten de vraag kunnen vergroten.

De overheid heeft daarmee meer invloed dan alleen het formuleren van een ambitie: haar opdrachten en de afspraken met bouwers kunnen investeringszekerheid geven. Het ministerie wil de aanpak eind 2026 actualiseren.