De financiële ruimte om werk anders in te richten is klein voor een grote groep deelnemers aan nieuw onderzoek van vakbond De Unie. Van de werkenden, zelfstandigen en werkzoekenden zegt 51 procent geen stap naar bijvoorbeeld minder uren of lager betaald werk te kunnen zetten zonder geldproblemen. Bijna een derde zegt dat wel te kunnen.
De vraag is aan 1.112 mensen gesteld. Zij maken deel uit van een panel van 1.500 middelbaar en hoger opgeleide Nederlanders dat onderzoeksbureau InnerVoice deze zomer ondervroeg. De Unie publiceerde de resultaten op 22 oktober. Lager opgeleiden ontbreken in dit onderzoek.
| Antwoord | Aandeel |
|---|---|
| Nee | 51% |
| Ja | 31% |
| Weet niet | 18% |
Gevraagd is wat mensen denken te kunnen betalen, niet of zij concrete plannen hebben om minder te werken. Mannen, ouderen, woningbezitters en mensen met een vast contract of een modaal tot hoger inkomen zeggen volgens het rapport vaker dat zij ruimte hebben voor zulke keuzes.
De zekerheid over noodzakelijke uitgaven is wel iets verbeterd: 42 procent van het hele panel is vrij tot heel zeker over de hoogte daarvan in het komende jaar, tegen 37 procent in 2025.
Een recht op minder werken betaalt de huur niet
Een andere werkweek vraagt meer dan toestemming van een werkgever. Ook als het werk wordt teruggeschroefd, blijven er huur of hypotheek, een zorgpremie en boodschappen te betalen. Wie weinig overhoudt, kan het verlies aan loon moeilijker opvangen.
De Wet flexibel werken geeft werknemers onder voorwaarden de mogelijkheid om minder uren te vragen. Een werkgever moet zo'n verzoek in beginsel toestaan, tenzij daar een zwaarwegend bedrijfsbelang tegen pleit. De wet regelt de aanpassing van de uren; minder werken heeft ook gevolgen voor salaris en pensioenopbouw.
Het verschil tussen bruto en netto maakt daarbij uit. Bij een lager loon veranderen ook belastingen, kortingen en soms toeslagen. Wie die gevolgen voor de eigen situatie wil laten vergelijken, kan een berekening van het netto-inkomen bij minder werken laten maken.
Voor dezelfde zorgtijd kan de betaling verschillen
Hoe belangrijk arbeidsvoorwaarden zijn, wordt concreet bij de zorg voor een ziek familielid of een andere naaste. Werknemers die aan de voorwaarden voldoen, kunnen langdurend zorgverlof opnemen. Dat bedraagt wettelijk maximaal zes keer de wekelijkse arbeidsduur per twaalf maanden. Over die verlofuren bestaat wettelijk geen recht op loon.
Uit onderzoek van Het Bericht blijkt dat de financiële bescherming bij dat verlof per cao kan verschillen. In de cao Gemeenten 2025-2027 staat dat een werknemer tijdens langdurend zorgverlof 50 procent van het salaris en de salaristoelagen doorbetaald krijgt. Wie alleen op de wettelijke regeling kan terugvallen, krijgt over die uren geen salaris. Het gaat dus niet alleen om hoeveel iemand verdient, maar ook om welke gezamenlijke afspraken werknemers en werkgevers hebben gemaakt.
Bij kortdurend zorgverlof is het wettelijke uitgangspunt minimaal 70 procent loondoorbetaling, met het minimumloon als ondergrens. Dat verlof is beperkt tot twee keer de wekelijkse arbeidsduur per twaalf maanden. Cao's kunnen hiervan afwijken. Een tijdelijke oplossing voor noodzakelijke zorg is daarmee nog geen betaalbare route naar een blijvend kortere werkweek.
Ook gedeeltelijk betaald verlof moet betaalbaar zijn
Het Sociaal en Cultureel Planbureau wees eerder deze maand op dezelfde financiële drempel bij mantelzorg: niet iedereen kan minder betaald gaan werken of onbetaald verlof opnemen om een naaste te helpen. Het planbureau pleit voor uitbreiding van betaald mantelzorgverlof, met extra aandacht voor mensen met een laag inkomen.
Ook bij gedeeltelijke doorbetaling blijft die verdelingsvraag bestaan. Wie een laag loon heeft en nauwelijks geld overhoudt, kan ook een kleiner inkomensverlies niet zomaar dragen. Het SCP noemt daarom een hogere vergoeding voor lagere inkomens als mogelijkheid om verlof toegankelijker te maken. Anders hebben mensen met een grotere financiële buffer meer ruimte om hun werk op zorgtaken af te stemmen.
