Lhbtiq+ asielzoekers kunnen in Ter Apel, Budel en enkele andere opvangcentra vragen om een kamer of wooneenheid bij andere lhbtiq+ bewoners. Maar doordat de opvang vol zit, kan niet iedereen die daarom vraagt er terecht. Dat erkent minister van Asiel en Migratie Bart van den Brink tegenover Lisa Westerveld van PRO.
Voor bewoners die worden bedreigd of hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit verborgen houden, kan juist zo’n kamer rust en privacy bieden. De minister beschrijft maatregelen tegen intimidatie en geweld, maar geeft geen concrete oplossing voor mensen die nu een andere plek nodig hebben. Op de vraag hoe iemand bij acuut gevaar direct veilig wordt ondergebracht, verwijst hij naar het verminderen van de algemene druk op de opvang.
Ruimtegebrek speelt al langer
Uit onderzoek van Het Bericht blijkt dat de regering dit knelpunt al in juli 2025 beschreef. Ook toen beperkte de volle opvang de mogelijkheid om lhbtiq+ bewoners op hun verzoek bij elkaar te plaatsen. In de antwoorden van vandaag staat opnieuw dat de bezetting zulke verzoeken in de weg zit. Hoeveel mensen hierdoor geen andere plek krijgen, vermeldt de minister niet.
Een aparte kamer is niet voor iedereen de gewenste oplossing. Het uitgangspunt is dat bewoners zelf kunnen aangeven wat zij nodig hebben. Sommigen willen juist niet aan anderen bekendmaken dat zij lhbtiq+ zijn. De keuze om samen te wonen met anderen die zich in hen herkennen, verliest echter betekenis als er geen ruimte voor is.
Een kamer waar je niet op je hoede hoeft te zijn
Waarom die keuze ertoe doet, komt naar voren in onderzoek van COC Nederland. In gesprekken uit 2024 beschreven bewoners hoe zij in een gedeelde lhbtiq+ kamer minder alert hoefden te zijn en hun identiteit niet voortdurend verborgen hoefden te houden. Ook een eigen kamer met een partner of gezin kon die privacy bieden.
Het COC onderzocht de ervaringen van 54 asielzoekers en statushouders en voerde vijftien dieptegesprekken. De ervaringen laten ook zien waar het mis kan gaan: een herkenbare lhbtiq+ kamer kan bewoners tot doelwit maken. Een gedeelde badkamer met andere bewoners kan de onveiligheid bovendien laten voortduren. De bescherming moet daarom ook de toegang tot de kamer en de gedeelde voorzieningen omvatten.
De verantwoordelijkheid voor bescherming ligt bij de opvangorganisatie en de overheid. Bewoners zijn voor hun slaapplaats van hen afhankelijk. Wie na intimidatie een andere kamer vraagt, kan die niet zelf regelen. Voorlichting over gelijke behandeling biedt op zichzelf geen andere plek om te slapen.
275 aanspreekpunten, geen overzicht per locatie
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wil op iedere locatie minstens één medewerker met extra kennis over lhbtiq+ bewoners. Er zijn ongeveer 275 van deze aanspreekpunten. Op hoeveel locaties zo iemand ontbreekt, was de vraag van Westerveld. Dat aantal geeft Van den Brink niet. Vooral bij tijdelijke noodopvang is het lastig om de rol overal te vervullen, schrijft hij.
Daarnaast zijn trainingen beschikbaar en kan het COA optreden tegen discriminatie, intimidatie en geweld, bijvoorbeeld door geld in te houden of een bewoner na een ernstig incident over te plaatsen naar een strengere locatie. Bij strafbare feiten worden melding en aangifte gestimuleerd. Het vaststellen van wat er gebeurde kan lastig zijn als medewerkers geen getuige waren en bewoners tegenstrijdige verklaringen geven.
Meer landelijke informatie over misdrijven met een discriminerend motief wordt naar verwachting pas vóór de zomer van 2027 gepubliceerd, in de monitor over 2026. Van den Brink geeft intussen geen aantal extra kamers, locaties of datum waarop alle verzoeken voor zo’n lhbtiq+ plek kunnen worden ingewilligd.
