Kerken die mensen willen helpen maar geen betaalbare ontmoetingsruimte vinden, krijgen in de reactie van minister Mirjam Sterk geen nieuwe hulp bij hun huisvesting toegezegd. De minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport wil hun inzet voor de zorg versterken, maar legt het vinden van ruimte bij gemeenten. Daarmee blijft een praktische voorwaarde voor die extra inzet buiten haar eigen aanpak.
Dat verschil wordt zichtbaar in haar antwoorden aan ChristenUnie-Kamerlid Mirjam Bikker. Sterk erkent het ruimteprobleem en betreurt dat kerken daardoor hun maatschappelijke werk of erediensten niet kunnen houden. Ze noemt de concurrentie met andere maatschappelijke organisaties om betaalbare gebouwen. Een nieuwe maatregel om die hindernis weg te nemen, kondigt ze niet aan.
Een oproep zonder extra ruimte
Sterk verwijst naar bestaande handreikingen voor gemeenten en naar een lokale kerkenvisie. Daarmee kunnen gemeenten bepalen wat er met een kerkgebouw gebeurt als het religieuze gebruik eindigt. Blijft de maatschappelijke bestemming behouden, dan kan er volgens de minister een andere geloofsgemeenschap terecht.
Zo'n visie helpt bepalen waarvoor een gebouw gebruikt mag worden. Zij bezorgt een gemeenschap die nu ruimte zoekt nog geen betaalbare plek. Ook voor buurthuizen en andere maatschappelijke organisaties is ruimte schaars, erkent Sterk. Wie hun vrijwilligers meer wil laten doen, heeft dus niet alleen een oproep nodig, maar ook een antwoord op de omstandigheden waarin zij dat werk kunnen uitvoeren.
Vrijwilligers zijn er al
De discussie begon na Sterks toespraak op 31 augustus bij de Protestantse Theologische Universiteit. Daar riep ze kerken op hun kennis, inzet en waar mogelijk vermogen te gebruiken voor een samenleving waarin mensen meer voor elkaar zorgen. Ze verbond die oproep aan de druk op de professionele zorg en aan het opvangen van gaten door partners, kinderen, vrienden en buren.
In haar nieuwe antwoorden benadrukt Sterk juist hoeveel kerkelijke gemeenschappen al doen: helpen bij armoede, eenzaamheid en ondersteuning van mensen in kwetsbare situaties. Ze noemt onder meer het Leger des Heils, de Pauluskerk en SchuldHulpMaatje. Haar oproep is een uitnodiging, schrijft ze, geen opdracht.
Het CBS becijferde dat 7,4 procent van de bevolking van 15 jaar en ouder in 2025 vrijwilligerswerk deed voor een levensbeschouwelijke organisatie. Dat cijfer gaat over inzet in de voorafgaande twaalf maanden. Het laat zien dat er al een omvangrijke groep actief is, maar telt niet afzonderlijk hoeveel mensen vanuit hun geloof zorg of hulp buiten zo'n organisatie bieden. Het antwoord op Bikkers vraag naar die totale bijdrage blijft daarmee onvolledig.
Wat blijft een publieke verantwoordelijkheid?
Sterk zegt dat kerken de professionele zorg niet overnemen. Dat is een wezenlijke grens: een bezoek, maaltijd of helpende hand heeft waarde op zichzelf, maar toegang tot benodigde zorg mag niet afhangen van de aanwezigheid van een kerk of beschikbare vrijwilligers in de buurt.
Die grens maakt de uitvoering van haar oproep belangrijk. In haar oorspronkelijke toespraak waarschuwde Sterk zelf dat mantelzorg geen extra taak moet worden boven op een al druk bestaan. Meer onderlinge hulp vraagt tijd, ruimte en ondersteuning. Die voorwaarden benoemen is iets anders dan ze organiseren.
Hoe zij de extra inzet concreet gaat ondersteunen, werkt Sterk in deze antwoorden niet uit. Bij huisvesting verwijst ze naar gemeenten; over de rol van kerken heeft ze een gesprek gepland met hun samenwerkingsverband Interkerkelijk Contact in Overheidszaken. Een datum of concrete afspraken over ondersteuning vermeldt ze niet.
