Volwassenen die in juni 2021 naar het gendercentrum van Amsterdam UMC zijn verwezen, worden nu ingepland voor een eerste gesprek over drie maanden. Daarna volgt voor de start bij een psycholoog nog eens zes tot zeven maanden wachttijd. Dat staat in het overzicht dat het ziekenhuis op 1 november publiceerde.

Minister van Volksgezondheid Sophie Hermans erkent dat de inspanningen de wachttijden nog niet laten dalen. Zij verwijst mensen naar hun zorgverzekeraar om een plek bij een andere aanbieder te zoeken. Maar hoeveel patiënten daarmee sneller passende genderzorg krijgen, blijkt niet uit haar antwoorden aan Lisa Vliegenthart, Lisa Westerveld en Marjolein Moorman, alle drie van PRO.

Toestemming is nog geen behandelplek

De minister noemt 48.230 patiënten die tussen 20 april en 20 september toestemming gaven voor actieve zorgbemiddeling. Daarbij mag de verzekeraar, met instemming van de patiënt, zelf helpen zoeken naar een aanbieder met een kortere wachttijd.

Dat cijfer gaat over de bredere invoering van bemiddeling in de medisch-specialistische zorg. Het is geen telling van geholpen genderzorgpatiënten. Ook zegt toestemming geven nog niet dat iemand eerder een afspraak kreeg. Zorgverzekeraars Nederland heeft volgens Hermans geen landelijk verzamelde gegevens over de resultaten van de bemiddeling door afzonderlijke verzekeraars. Een evaluatie van de actieve werkwijze begint eind 2026.

Voor de genderzorg ontbreekt bovendien een landelijke registratie van wachttijden. De Nederlandse Zorgautoriteit houdt deze binnen de geestelijke gezondheidszorg niet als aparte categorie bij. De wachttijden die aanbieders zelf publiceren lopen uiteen. Het Amsterdamse overzicht is dus een concrete inkijk bij één groot centrum, geen gemiddelde voor heel Nederland.

Er is scholing, hoeveel huisartsen die bereikt blijft onbekend

Uit onderzoek van Het Bericht blijkt dat het kabinet al bestaande hulp voor huisartsen opsomt, maar het bereik daarvan niet kan aangeven. In de kabinetsreactie van 13 oktober staan trainingen, nascholing en een module over genderidentiteit die het Nederlands Huisartsen Genootschap in juni publiceerde. In de nieuwe antwoorden zegt Hermans niet te weten hoeveel huisartsen scholing hebben gevolgd.

Dat doet ertoe omdat de overheid juist meer hulp bij de huisarts en in de gewone ggz wil organiseren. Daar kunnen mensen vragen over hun genderidentiteit bespreken en ondersteuning krijgen. Niet iedere hulpvraag vraagt om behandeling in een gespecialiseerd centrum.

De beslisnota bij de antwoorden laat zien dat gesprekken met huisartsenorganisaties en de ggz zijn ingepland. Daar moet onder meer worden besproken welke hulp zij kunnen bieden en wanneer een gespecialiseerd team nodig is. Hoeveel extra mensen door uitbreiding van het zorgaanbod al zijn geholpen, kan Hermans evenmin aangeven.

Wachten heeft zelf gevolgen

Amsterdam UMC heeft ruim 4.500 volwassenen en 1.000 kinderen op de wachtlijst. Voor kinderen worden nu verwijzingen uit oktober 2024 ingepland voor over twee tot drie maanden. Het ziekenhuis zegt dat het meer personeel heeft aangenomen, maar de groei van het aantal verwijzingen en het personeelstekort niet alleen kan opvangen.

Wie wacht, heeft ondertussen soms psychische hulp nodig. Hermans erkent dat mensen uit onvrede over de lange wachttijd zelf hormonen kunnen gaan gebruiken. Zij wijst op de gezondheidsrisico’s van onbegeleid gebruik. Psychische hulp kan volgens haar naast een genderzorgtraject plaatsvinden; voor acute psychiatrische hulp hoeft iemand niet eerst zo’n traject te hebben doorlopen.

Hermans wil de Kamer nog dit jaar informeren over kortetermijnoplossingen voor de wachttijden. In deze antwoorden noemt zij geen datum waarop mensen in de genderzorg aantoonbaar korter moeten wachten.