Grote bedrijventerreinen en distributiecentra krijgen geen landelijke plicht om regenwater grootschalig op te vangen en te hergebruiken. Minister van Infrastructuur en Waterstaat Vincent Karremans erkent dat zo’n verplichting voordelen heeft: minder drinkwatergebruik, minder wateroverlast en minder druk op gemeentelijke riolen. Toch vindt hij landelijke verplichtingen niet wenselijk. Gemeenten en waterschappen moeten zelf eisen kunnen stellen.

Hij schrijft dat aan Kamerleden Hidde Heutink en René Claassen, beiden van Groep Markuszower. Zij vroegen om meer regenopvang op grote verharde terreinen, nadat berichtgeving over kwetsbare woningen de gevolgen van extreme buien onder de aandacht bracht. Karremans antwoordt mede namens minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Elanor Boekholt-O’Sullivan.

De eigenaar heeft al een verantwoordelijkheid

Geen landelijke opvangplicht betekent hier geen vrijstelling van bestaande regels. De eigenaar is in beginsel zelf verantwoordelijk voor het afvoeren van regenwater dat op zijn terrein valt. Als dat redelijkerwijs niet zelf kan, heeft de gemeente een taak bij het inzamelen en verwerken ervan. Dat is iets anders dan een plicht om overal grote hoeveelheden op te slaan en opnieuw te gebruiken.

Gemeenten kunnen in hun omgevingsplan vastleggen hoe een eigenaar met regenwater moet omgaan en hoeveel hij moet opvangen. Ook waterschappen kunnen bij nieuwe verharding compensatie met waterberging eisen. Karremans wil die lokale afweging behouden, omdat de bodem, de mogelijkheden om water te laten wegzakken en de werking van het riool per gebied verschillen.

Die keuze bepaalt waar bedrijven aan een concrete opvangnorm moeten voldoen. Opvang op het eigen terrein vraagt daar om ruimte en een investering. Zij vermindert de hoeveelheid water die bij een bui tegelijk richting het publieke riool stroomt. De verdeling van die opvang raakt daarmee ook de belasting van gezamenlijke voorzieningen en de bescherming van omliggende gebouwen.

Amsterdam legt al liters per vierkante meter vast

Uit onderzoek van Het Bericht blijkt dat Amsterdam voor nieuwe gebouwen die onder de gemeentelijke regeling vallen al een concrete basiseis hanteert: 60 liter opvang per vierkante meter bebouwd oppervlak. Bij die standaard komt 100 vierkante meter neer op 6.000 liter tijdelijke opvang.

Het actuele omgevingsplan regelt ook dat deze gewone berging na 60 uur weer leeg moet zijn, zodat er ruimte is voor een volgende bui. Voor onder meer hergebruiksystemen gelden andere voorwaarden. De regels kennen uitzonderingen en overgangsrecht; het is dus geen eis om ieder bestaand Amsterdams gebouw alsnog van zo’n installatie te voorzien.

Dat voorbeeld maakt de landelijke keuze concreet. Een gemeente kan een meetbare verplichting opleggen, terwijl het kabinet geen algemene nationale verplichting voor grote bedrijfsterreinen wil toevoegen. Hoeveel opvang precies nodig is, blijft afhangen van de lokale regels en de inrichting van het terrein.

Geen bedrag voor vooraf opvangen of later herstellen

Een landelijke berekening van hoeveel regenwater nu wordt afgevoerd terwijl het had kunnen worden vastgehouden, heeft Karremans niet. Hij wijst op verschillen in beschikbare ruimte, bodem, grondwater en de functies van een gebied. Meer water vasthouden kan op sommige plekken juist de ruimte verkleinen om een volgende bui op te vangen.

Ook de gevraagde kostenvergelijking tussen voldoende opvang bij nieuwbouw en het later aanpassen van een wijk levert hij niet. Wel verwijst hij naar eerder onderzoek waaruit blijkt dat vroeg rekening houden met wateroverlasteisen minder vertraging en kosten geeft dan die eisen later in het ontwerpproces toevoegen. Een bestaande wijk achteraf aanpassen noemt hij ingrijpend en kostbaar. Hoeveel voordeliger vooraf investeren is, blijft in de antwoorden onbecijferd.