Gemeenten ontvangen jaarlijks €440 miljoen voor maatschappelijke opvang en de aanpak van dakloosheid, exclusief indexatie. Het geld gaat via het gemeentefonds en is vrij besteedbaar. Minister Mirjam Sterk bevestigt dat in antwoorden aan Nicole Moinat van Groep Markuszower. Zij roept gemeenten op vooral te investeren in preventie en huisvesting, maar noemt geen andere financieringsvorm.

De keuze voor deze geldroute is eerder kritisch onderzocht. Significant Public concludeerde in een evaluatie uit 2025 dat de financiering de samenwerking tussen gemeenten en de overgang van opvang naar wonen onvoldoende ondersteunt. Het geld komt bij centrumgemeenten terecht, terwijl ook andere gemeenten woningen moeten helpen regelen en dakloosheid moeten voorkomen.

Een budget is nog geen woning

Het bedrag van €440 miljoen bestaat uit twee jaarlijkse uitkeringen aan centrumgemeenten. Het grootste deel is voor maatschappelijke opvang; de extra uitkering hoort bij het Nationaal Actieplan Dakloosheid. Deze bedragen laten de verdeling van rijksmiddelen zien, niet hoeveel gemeenten daadwerkelijk aan opvang, preventie of woningen uitgeven.

Jaarlijkse uitkeringen aan centrumgemeenten, exclusief indexatie
UitkeringBedrag
Maatschappelijke opvang€385 miljoen
Nationaal Actieplan Dakloosheid€55 miljoen
Samen€440 miljoen

Hoeveel opvang kost, wordt niet structureel op één landelijke plek bijgehouden. Dat schreef het kabinet al bij de behandeling van de woonbegroting in het voorjaar van 2026. Ook het aantal opvangplekken wordt niet centraal geregistreerd. In de nieuwe antwoorden geeft Sterk geen verdeling van de uitgaven aan opvang en structurele oplossingen.

Zij zegt signalen te krijgen dat gemeenten noodopvang uitbreiden omdat de acute nood hoog is. Tijdelijke uitbreiding kan volgens haar nodig zijn bij tekorten aan plekken en schaarste aan woningen. Voor iemand die anders buiten slaapt, is die opvang directe bescherming. Een opvangplek neemt de behoefte aan een eigen, stabiele woonplek vervolgens niet weg.

Wie woningen moet regelen, krijgt het geld niet rechtstreeks

De evaluatie van Significant Public beschrijft waarom de geldverdeling die verandering lastig maakt. Andere gemeenten binnen een opvangregio krijgen voor het actieplan geen eigen rechtstreekse rijksuitkering. Of zij kunnen meedoen met het geld voor preventie en wonen, hangt af van afspraken met de centrumgemeente. In sommige regio's wordt het gezamenlijk verdeeld.

De onderzoekers zagen het risico dat dakloosheid zo vooral een taak van de centrumgemeente en de opvang blijft. Gemeenten wilden bij de totstandkoming hun bestedingsvrijheid behouden; een andere bekostiging kon volgens hen meer administratie opleveren. De gekozen vrijheid beperkt tegelijk de mogelijkheid van het Rijk om geld naar de beoogde omslag te sturen.

Het kabinet erkende bij de voortgangsrapportage eind 2025 dat gerichte financiering een prikkel kan geven om meer in preventie en huisvesting te investeren. Een andere geldverdeling zou met gemeenten moeten worden afgesproken. Over de huidige besteding leggen gemeenten verantwoording af aan hun gemeenteraad. Die lokale controle vervangt geen landelijk overzicht waarmee het Rijk de omslag naar wonen kan volgen.

Het onderzoek liep van januari tot oktober 2025 en gebruikte documenten, een uitvraag onder opvangregio's en gesprekken met gemeenten, ministeries en andere betrokken partijen. Het beschreef ook eerste resultaten met het preventief toewijzen van woningen en toenemende betrokkenheid van woningcorporaties. De landelijke overgang naar wonen kwam volgens de onderzoekers nog maar net op gang.

2030 vraagt meer dan continuïteit

Het Nationaal Actieplan Dakloosheid loopt van 2023 tot 2030. De bedoeling is mensen eerder een passende woonplek te bieden en te voorkomen dat zij dakloos worden. Opvang moet daardoor minder het eindpunt van de aanpak zijn.

Sterk zegt dat die verandering tijd en een lange adem vergt. De evaluatie waarschuwde echter al dat het doel voor 2030 met de toenmalige aanpak en het tempo niet zou worden gehaald. Zij vraagt gemeenten nu opnieuw om vooral in preventie en wonen te investeren. Hoeveel van de €440 miljoen daar daadwerkelijk terechtkomt, maakt de beantwoording niet duidelijk.